Een breuk is een getal dat bestaat uit een teller (boven de streep) en een noemer (onder de streep). Met deze calculator reken je eenvoudig met drie breuken tegelijk — optellen, aftrekken, vermenigvuldigen of delen.
Rekenen met breuken – uitleg
Breuken optellen en aftrekken
Om breuken op te tellen of af te trekken, moeten de noemers gelijk zijn. Als dat niet zo is, zoek je eerst het kleinste gemene veelvoud (kgv) van de noemers. Daarna tel je de tellers op of trek je ze af.
Voorbeeld: 1⁄3 + 1⁄4 = 4⁄12 + 3⁄12 = 7⁄12
Breuken vermenigvuldigen
Vermenigvuldig teller × teller en noemer × noemer. Vereenvoudig het resultaat indien mogelijk.
Voorbeeld: 2⁄3 × 3⁄5 = 6⁄15 = 2⁄5
Breuken delen
Delen door een breuk is hetzelfde als vermenigvuldigen met de omgekeerde breuk (draai teller en noemer om).
Voorbeeld: 2⁄3 ÷ 4⁄5 = 2⁄3 × 5⁄4 = 10⁄12 = 5⁄6
Rekenen met gemengde getallen
Voer een geheel getal in het linker veld in en de breuk in de twee velden rechts. Bijvoorbeeld: 2 en 1⁄3 staat voor 2⅓. Negatieve gemengde getallen voer je in door een minteken in het geheel-getal-veld te zetten.